| |
Otto II 'de Rijke', 1063-1113
Heer en graaf van Zutphen
Twee keer getrouwd
 Otto
II wordt vermoedelijk tussen 1040 en 1050 geboren als zoon van Godschalk
(I) en Adelheid,
dochter van Liudolf en Mathilde.
In 1063 volgt Otto II zijn vader op als heer van Zutphen.
In 1068/70 komt Otto II als getuige voor in een oorkonde van de kerk van
Osnabruck als zoon van de prefect Godschalk (I). Otto II is volgens Van
Winter twee keer getrouwd. De eerste keer met een onbekende vrouw
en de tweede keer volgens Verdonk
met Judith (of Jutta), een van de zeven dochters
van Lodewijk I van Arnstein, hetgeen bestreden
wordt door Oostebrink.
Uit het eerste huwelijk stamt Adelheid ( na 1150),
zij erft de rechten in Agradingouw
en Emsgouw en de voogdij van
Munster, of krijgt deze als huwelijksgeschenk mee. Zij trouwt waarschijnlijk
ook twee keer. Eerst met een onbekende man en vervolgens met Ekbert
van Saarbrucken. Ekbert is een zoon
van graaf Hendrik van Saarbrücken en Gisela van Lotharingen. Samen met Ekbert sticht zij het grafelijke huis Tecklenburg.
Opvallend in dit verband is dat de graven van Tecklenburg in latere jaren
altijd beweren van een prefect Godschalk af te stammen.
Uit het tweede huwelijk van Otto II stammen drie zonen: Gerhard I, Hendrik
(II) 'de Oude' en
Diederik (II), bisschop van Munster (1118-1127)
en een dochter: Ermgard.
Zutphen als middelpunt?
In 1092/5 weet hij zijn vader
te wreken door de graaf van Werl alsnog zijn Friese graafschappen
af te nemen ten gunste van bisdom Bremen. In 1093 staat hij zijn vermoede
broer Gumbert, abt
van Abdinghof,
bij door hem een enorme geldlening te verschaffen. In contemporaine bronnen
wordt Otto II niet voor niets "locupletissimus",
oftewel de 'Rijke' genoemd.
Deze bijnaam zal hij niet hebben vanwege het bezit van Zutphen, want dat
is rond 1100 geen bezitting van formaat. De bijnaam kan eventueel te danken
hebben aan zijn ondervoogdijschap van de abdij
van Corvey in het noordwesten van Westfalen, in Haselünne en rond
Meppen. De oppervoogd van dit gebied is zijn naamgenoot graaf Otto
I van Northeim.
De voogdij over een klooster houdt in dat
de voogd in vredestijd de recht spreekt over de bevolking uit het grondgebied
van het klooster en in het onoverkomelijke geval van een oorlog de weerbare
mannen uit het gebied ronselt om deze in de strijd aan te voeren. De voogdij
is een lucratief ambt, omdat het spreken van recht inkomsten voor de voogd
genereert. Daarnaast is het militaire aanzien meegenomen. Hoe meer mannen
de voogd of graaf in de strijd kan aanvoeren, hoe machtiger hij is.
Otto II heeft ook bezittingen rondom Paderborn en Osnabruck. Hij wordt
vermeld in de necrologieën van het klooster Borghorst en dat van
Abdinghof. Van Winter vermoedt
dat deze bezittingen afkomstig zijn uit de huwelijksschat van zijn echtgenote,
maar de aanname
op deze site dat Otto II's grootvader Herman
II Hamalandse wortels heeft doet eerder vermoeden dat deze bezittingen
uit deze erfenis stammen.
Het is dus vreemd dat Otto II zich naar Zutphen noemt. Deze plaats ligt
immers aan de rand van zijn gebied. Waarschijnlijk hebben de heren van
Zutphen ook veel bezittingen aan de andere kant van de IJssel en is Zutphen
hun belangrijkste steunpunt. Misschien speelt het (vermeende) eigendom
van Zutphen ook een rol. Pas in 1101 komt Otto II voor als graaf van Zutphen.
Wie is de voogd?
Er ontstaan problemen rond de voogdij van de Sint-Walburgiskerk in Zutphen,
wanneer Otto II zijn (vermoedelijke) schoonzoon Constantinus
(I) van Melegarde aanstelt als ondervoogd. Hij is afkomstig van het
goed Malgarten bij Osnabruck. Deze Constantinus
I is de stamvader van het huis Bergh ('s-Heerenberg),
maar vooral bekend als de veroorzaker van een reeks vervalste oorkondes
waarin de rechtmatige opvolgers van Otto II hun rechten op de voogdij
van Sint-Walburgis proberen zeker te stellen.
Constantinus I schijnt zijn bevoegdheden als ondervoogd nogal opgerekt
te hebben ten nadele van de rechtmatige voogden. Problematisch rond deze
oorkondes zijn de jaartallen waarin de genoemden optreden. Voorlopig staat
vast dat Otto II Constantinus I als ondervoogd heeft aangesteld met beperkte
bevoegdheden. Problemen ontstaan wanneer Constantinus I op zijn beurt
zijn ondervoogdij in leen geeft aan een zekere Udo, alsof het om zijn
eigen bezit gaat. Jackman
identificeert deze Udo als Udo I van Hennef,
een kleinzoon van Godschalk (I).
Bouw van de St. Walburgskerk
Otto II laat in 1105 de Sint-Walburgskerk in Zutphen, die door een brand
is verwoest, herbouwen. Hij brengt vervolgens de relieken van de heilige
Justus uit Corvey naar Zutphen. Bisschop Burchard van
Utrecht wijdt de kerk met een plechtige ceremonie in. Als getuigen
zijn hierbij de belangrijkste edelen (leenmannen van de heer van Zutphen?)
aanwezig: Ulrico van Amsen (Ampsen), Bernard
van Dipenhem (Diepenheim), Gerlaco van
Dedingwerthe (bij Lochem), Hartberto van
Mocherte, de broers Wolphardo en Eremberto
de Ettenon (Etten bij Varsseveld?), Meinrico
van Reinre, Wensone van Vrollehorst
(Velhorst), Gerboldo van Winburg, Mensone
van Thrile, Ulboldo van Wiken (Winterswijk?)
en Lubbert en Gozelo
van Berenchem (Barchem of Bennekom?). Allen bevestigen met hun aanwezigheid de voorrechten
van de herbouwde kerk.
In 1113 overlijdt Otto II en hij wordt begraven in zijn eigen St. Walburgskerk.
In 1118 wordt zijn echtgenote Judith na
haar dood in het graf bijgeplaatst.
Tot in de negentiende eeuw is de plaats van hun graf door overlevering
nog bekend. Helaas is deze kennis verloren gegaan. De (vermoedelijk) oudste zoon
Gerhard I erft het Westfaalse deel
van de familiebezittingen en wordt de stamvader van het Lohnse gravenhuis. Jongere zoon Hendrik I erft het Zutphense deel, maar overlijdt zonder nageslacht na te laten. Opnieuw vererft Zutphen dan via een vrouw: Ermgard.
|
|