| |
Opkomst en ondergang van
hertogdom Lotharingen
Deel 2 - Op weg naar zelfstandigheid
Matfriedingers komen in opstand
In 906 zien de Matfriedingers
hun kans schoon om in opstand komen, omdat de Konradijnen
hun handen vol hebben aan de strijd tegen de Babenbergers.
De broers Gerhard
(I) van Gulikgouw en Matfried
(IV) van Metzgouw bezetten de abdijen St. Maximin
en Oeren in Trier die aan Gebhard
van Lotharingen zijn gegeven.
Gebhard is op dat moment reeds in oorlog
met de Babenbergers en laat de vervolging van de Matfriedingers over
aan zijn neef Koenraad I, de latere
koning van Oost-Franken. Koenraad I verzamelt in 906 een leger in Lotharingen
en verslaat beide broers. Gerhard (I) en Matfried (IV) worden verbannen
en hun goederen worden verbeurd verklaard. Bij deze verbeurdverklaring
treedt Reginar I ook
op, blijkbaar heeft hij zich in rijkskringen weer populair gemaakt.
Enige tijd later verzoenen Gerhard (I) en Matfried (IV) zich door zich
aan het keizerlijk gezag te onderwerpen. Mogelijk zijn de huwelijken tussen
Godfried, zoon van Gerhard
(I) van Gulikgouw, en Kunigunde
(haar derde huwelijk), dochter van Reginar I en Meginhard
IV van Hamaland met Gerberga, dochter
van Gerhard (I)
van Gulikgouw een uitvloeisel van deze verzoening.
In 910 trekken Gerhard (I) en Matfried (IV) samen met Gebhard van Lotharingen
tegen de Hongaren ten strijde. Op het slagveld van Lechfeld
bij Augsburg sneuvelen zij alledrie op 22 juni 910. Als vlak daarna in
911 plotseling Lodewijk
IV 'het
Kind' ook overlijdt is de toekomst van Lotharingen ongewis.
Het einde van Lotharingen als apart
koninkrijk is in ieder geval een feit.
Lotharingen komt bij West-Franken
Na de dood van Lodewijk IV 'het Kind' stijgt in Oost-Franken de macht
van de Konradijnen
tot een hoogtepunt. Koenraad
I laat
zich in november 911 tot koning van Oost-Franken kronen. Reginar
I ziet dit met lede ogen aan, want de Reginaren
en Konradijnen zijn nog steeds geen vrienden. Onder invloed van Reginar
I betuigt de Lotharingse adel, inclusief de Matfriedingers, mogelijk
al voor de dood van Lodewijk
IV 'het
Kind' zijn steun aan Karel III
'de Eenvoudige' van West-Franken. Reginar I's beweegredenen om naar
Karel III over te stappen zijn niet overgeleverd. Volgens Hlawitschka
verwacht Reginar I als "dux regni"
Gebhard
in Lotharingen op te volgen. Wanneer deze benoeming uitblijft zoekt Reginar
I aansluiting bij Karel III.
Karel III zal de uitbreiding van zijn rijk hebben gezien als een volkomen
natuurlijke uitbreiding van zijn karolingische erfenis. Karel III ondervindt
zware concurrentie van zijn markgraven, die allemaal als zelfstandig
vorst optreden. Boudewijn II van Vlaanderen
in het noorden, Robert I van Francië tussen
Seine en Loire en Willem 'de Vrome' in
Aquitanië.
Dus alle erkenning is welkom.
Koenraad I legt zich niet neer bij de gang van zaken en valt al in 912
Lotharingen twee keer binnen en in 913 gevolgd door een derde aanval.
Geen enkele veldtocht is succesvol. Wanneer aartsbisschop Radboud
van Trier in 913 ook naar Karel III overloopt is het pleit beslecht.
Koenraad I moet zich er bij neerleggen
dat Lotharingen bij West-Franken komt. De rijksgrens
uit 843 wordt weer getrokken.
Karel III laat zich niet tot koning van Lotharingen zalven, een teken
dat hij Lotharingen geen aparte status toedicht.
De aanstichter van de aansluiting van Lotharingen bij West-Franken, Reginar
I 'Langhals', komt aan het einde van 915 te overlijden
en hij wordt opgevolgd door zijn zonen Giselbert
en Reginar (II).
Verraad ...
Giselbert staat om onbekende redenen niet in de gunst van Karel III
'de Eenvoudige'. Het wordt zelfs betwijfeld of Giselbert de graventitel
voert. Dit in tegenstelling tot zijn broer, die vrijwel meteen na de
dood van zijn vader als graaf van Henegouwen optreedt. De zaak loopt
zo hoog op dat Giselbert in 919 Lotharingen ontvlucht en zijn heil zoekt
bij de nieuwe oost-Frankische koning Hendrik
I.
Hendrik I ziet hierin
de kans om zich met de politiek in Lotharingen te bemoeien. Het wegsturen
van Giselbert is een grote inschattingsfout van Karel III, want een
groot deel van de Lotharingse adel komt in opstand en kiest Giselbert
tot 'princeps'
(rechtmatig heerser).
In 921 sluiten Karel III en Hendrik I op een boot in het midden van de
Rijn met het zogenaamde vriendschapsverdrag (amicitia)
van Bonn, een wapenstilstand waarbij Hendrik I geen aanspraken
op Lotharingen doet gelden en Karel III 'de Eenvoudige' Hendrik I
als gelijke erkent. Dat voor Giselbert bij dit verdrag geen rol is
weggelegd houdt mogelijk in dat Hendrik I Giselberts erkenning opoffert
voor zijn eigen belangen.
... dubbelverraad ...
Giselbert ziet in dat Hendrik I hem niet als 'princeps' zal erkennen.
Hij ondersteunt vervolgens de troonaanspraken van hertog Robert
I van Francië. Giselbert gaat er waarschijnlijk van uit dat als
hij Robert I als koning erkent, Robert I op zijn beurt hem als 'princeps'
zal erkennen.
Na enkele veldslagen wordt Robert I in 922 tot koning van Frankrijk uitgeroepen,
waarbij Karel III verder Lotharingen in wordt gedreven. Karel III doet
tijdens de strijd een tevergeefs beroep op het vriendschapsverdrag
met Hendrik I om hem bij te staan. Robert I zoekt na zijn uitroeping tot
tegenkoning van West-Franken contact met Hendrik I. Het resultaat van
deze ontmoeting is dat Hendrik I
zijn verbond met Karel III opzegt. Vervolgens wordt Karel III in 923 in
Soissons door Hugo van Francië, de zoon van
Robert I, verslagen. Robert I sneuvelt in deze slag en Karel III wordt
door Heribert II van Vermandois, schoonzoon
van Robert I, gevangen genomen. Karel III zal in 929 in gevangenschap
overlijden.
Een andere schoonzoon van Robert I, Rudolf
I van Bourgondië, wordt vervolgens tot koning van Frankrijk uitgeroepen.
Opnieuw loopt Giselbert over naar Hendrik I. Blijkbaar is Rudolf I niet
van zins Giselbert als princeps te erkennen. Twee korte invallen laten
zien hoe machtig Hendrik I inmiddels is geworden. De Lotharingse edelen
kiezen na dit machtsvertoon eieren voor hun geld en erkennen Hendrik I
als hun koning. Na een inval van koning Rudolf I sluit Hendrik I met hem
een wapenstilstand.
... en driedubbelverraad
In 925 is Giselbert wederom overgelopen, ditmaal naar het kamp van koning
Rudolf I. Hendrik I is de trouweloosheid
van de Lotharingse aristocratie meer dan zat. Hij benoemt een Matfriedinger
als bisschop van Verdun en stuurt de Konradijn Eberhard,
hertog van Franken, naar Lotharingen om de adel voor zich te winnen. Hendrik
I zelf belegerd Giselberts burcht in Zulpich.
Het lukt Hendrik I om de Lotharingers te paaien, maar het pleit is nog
niet beslecht. De Lotharingers zijn inmiddels gewend zelfstandig op te
treden, door voortdurend van kamp te wisselen. Van integratie in het oost-Frankische
rijk is nog geen sprake. Hendrik I doet vervolgens zijn beste zet om Lotharingen
in rustiger vaarwater te brengen. Hij verheft Giselbert tot hertog
van Lotharingen.
|
|