| |
Wichman (II), 848-86x
Graaf van Hamaland
Van voorname Saksische afkomst
Wichman
(of Wigman) (II) stamt waarschijnlijk uit een aanzienlijk gravengeslacht,
dat in de literatuur bekend staat als de pre-Billungers.
Dit doet een afkomst uit Saksen vermoeden, want de Billungers leveren
sinds 936 in een ononderbroken mannelijke linie tot 1105 de hertogen
van Saksen. Vanaf de eerste hertog uit deze familie, Herman I Billung,
spreken we van Billungers. Zijn (vermoede) voorouders worden tot de Pre-Billungers
gerekend.
De naam 'Wichman' is bij de Billungers gereserveerd voor de oudste zoon. Van
de Pre-Billungers is bij gebrek aan gegevens geen goede stamboom vast te stellen.
Overigens is de naam 'Billungers' voor deze familie ongelukkig, want waarschijnlijk
heeft er nooit een stamvader met de naam Billung of Billing bestaan.
Wichman (II)'s vermoedelijke grootvader van moeders kant heet Wichman
(I).
Wichman (I) wordt in 811 genoemd als een van de onderhandelaars
van Karel I 'de Grote' aan de Eider. Geen taak die Karel
I aan de eerste de beste
zal hebben overgelaten. Hij zal een vertrouweling van Karel
I zijn geweest
en vast voor zijn diensten met landerijen in Saksen beloond zijn. Wichman
(I) is vermoedelijk dezelfde die als graaf UUithmannus wordt genoemd, wanneer
hij in 825 tien hoeves in Wetigouw (noordoostelijk van Paderborn gelegen)
aan de abdij
van Corvey schenkt. Als eerste getuige bij deze gebeurtenis
treedt Herman (I) op. Mogelijk is Herman (I) een broer van Wichman (I).
De naam Herman komt veel in combinatie met de naam Wichman in de familie
voor.
Generatiegenoten en geboortedata
Op chronologische gronden wordt op deze site aangenomen dat een onbekend
gebleven dochter van Wichman (I) met de Saksische graaf Bennid
(I) (Bernhard)
is getrouwd. Ook Bernhard is een populaire naam binnen de Billungers.
Bennid I krijgt vermoedelijk drie zonen Amelung (II),
Wichman (II) en Herman
(II).
Hiervan zal Amelung II de oudste zoon zijn geweest, omdat Bennid I's
vader Amelung (I) heet. Wichman II is in dit scenario met de erfdochter
van Meginhard I getrouwd.
Als
onderhandelaar met de Noormannen zal Wichman (I) in 811 reeds een volwassen
man zijn en mogelijk zelfs een generatiegenoot van Karel
I,
gezien het belang van deze onderhandelingen.
Hij zal halverwege de achtste eeuw geboren zijn, zodat hij op latere
leeftijd de hoeves
aan Corvey schenkt. Mogelijk zal hij kort daarna overleden zijn.
Zijn onbekende
dochter zal grofweg rond 785 zijn geboren, zodat zijn kleinzoon Wichman
(II) rond 800 kan zijn geboren. In dit schema is Wichman (II) in 855
zeker oud genoeg om als graaf op te kunnen treden.
Meginhard I is in 796 nog een
jongeling en zal rond 780 geboren zijn.
Meginhard I's onbekende dochter zal
dan rond 800 geboren zijn. In dit rekenschema hebben Meginhard I's dochter
en Wichman (II) ongeveer dezelfde leeftijd, zodat de aanname dat Wichman
(II) met Meginhard I's dochter trouwt niet door een krappe rekensom wordt
verstoord.
Met dit hypothetische huwelijk smelten twee machtige families, Meginhardi en Billungers,
samen. Wichman (II) en zijn bruid krijgen in deze veronderstelling twee
zonen: Wichman (III) en Meginhard
(II).
Een -mannendingetje
Van
Winter vermoedt dat Wichman (II) een (klein)zoon is van Meginhard
I wordt op deze site niet gevolgd. Ten eerste erft Wichman (III)
het (belangrijkste) goederencomplex in Saksen. Ten tweede komt het achtervoegsel
'man' bij de 'hari'-familie (Brunhari en Wrachari)
niet voor, wat eigenlijk wel te verwachten zou zijn wanneer Wichman (II)
in mannelijke linie van Meginhard I af zou stammen. Bovendien komen de
'hari'-namen later niet in de familie terug en blijft alleen de naam
eindigend op '-hard' bewaard. Dit duidt in de richting van een vrouwelijke
schakel. De naam 'Wichman' komt bij de Meginhardi één
keer terug, waarschijnlijk als
een politieke naamgeving om de verwantschap met de Billungers te
benadrukken.
Van Winter rekent Wichman (I) niet tot de voorouders
van de Hamalandse familie, omdat deze bij schenkingen aan de abdij van
Corvey optreedt tussen een Herman, Redman en Waldman,
een '-man'-familie. De vermeende bloedband tussen de '-mannen' rust op
het feit dat, volgens Wenskus,
Wichman (I) in 825, met Herman als eerste getuige, in Dungen optreedt,
dat Herman in 837/8 vervolgens zelfstandig bij een schenking in Dungen
optreedt en dat deze Herman rond 843 zijn vader Redman herdenkt met goed
in Hasbeke en Hummersen,
met als eerste getuige Waldman. Dungen is geïdentificeerd
als Alt Schwalenberg (ten zuidoosten van Detmold) en ligt in de Wetigouw.
Hummersen ligt iets verder oostelijk en Hasbeke is mogelijk gelijk aan
Haselbeki (oostelijk van Holzminden).
Er is veel onzeker bij dit veronderstelde gezinsverband. Zo is het bijvoorbeeld
de vraag of de drie genoemde Hermannen identiek zijn. De vermeende bloedband
tussen Wichman (I) en de overige '-mannen' is dus waterig.
Op deze site is dit ondervangen door in de gereconstrueerde
stamboom een vrouwelijke generatie in te voeren tussen Wichman
(I) en Wichman (II). De naam 'Wichman' voor de tweede zoon ligt dan voor
de hand.
De terugkeer van Rorik I
In
850 keert Rorik
I uit zijn ballingschap terug en bezet Dorestad,
waarna Lotharius I niets beters weet te verzinnen dan Rorik I wederom met de
handelsstad en andere graafschappen te belenen. Het komt er op neer dat
Rorik I de baas is in dat deel van Frisia (Friesland) ten westen van het Vlie,
dat Lotharius I toebehoort. In wiens naam maakt hem niet uit. Wichman
(II) heeft daarmee een opportunistische en potige buurman gekregen, maar Rorik
I is te druk met zijn Deense belangen om het hem lastig te maken.
In 855 vertrekt Rorik I naar Denemarken om daar te proberen koning te worden.
Deze poging mislukt, zodat een tweede vertrek volgt in 857. Nu blijkt hoe
nuttig hij is voor de kustverdediging. Het Nederrijnse gebied wordt prompt
door
Vikingen aangevallen en geplunderd. Nieuwe aanvallen op Utrecht en
Dorestad vinden plaats in 857. Bisschop Hunger
van Utrecht besluit
te vluchten vanwege het aanhoudende geweld. In 858 krijgt de bisschop St. Odiliënberg (bij
Roermond) als zetelplaats van Lotharius
II toegewezen, wat iets zegt
over het gebrek aan veiligheid in het bisdom Utrecht. Blijkbaar zijn de
Vikingen nog niet zo ver stroomopwaarts het Nederrijnse gebied in geweest,
zodat de monding van de Roer als een veilig gebied wordt beschouwd. De ‘hit
and run’-strategie van de Vikingen laat hen blijkbaar (nog) niet
toe om verder stroomopwaarts te gaan, waardoor een veilige aftocht onzeker
wordt. Pas in de tweede helft van negende eeuw gaan zij winterkampen inrichten,
zodat hun actieradius groter zal worden.
Spaarzame gegevens
Naast de afgeleide gegevens is er over Wichman (II) zelf niet veel meer
bekend. In 855 wordt hij genoemd als graaf van Hamaland, wanneer Folker onder andere goederen in pago Hamulande, in comitatu Uuigmanni weggeeft.
Het blijkt te gaan om goederen bij Amersfoort en Rhenen.
Wichman
(II) is dus de eerste graaf waarvan zeker is dat hij in Hamaland (IJsselgouw
en Lijmers) als graaf actief is. Dat graafschap ziet er waarschijnlijk
net zo uit als het graafschap van Wichman (IV) aan het eind van de tiende
eeuw. Zijn ambstgebied is binnen de rode lijn te vinden. Ook buiten de
lijn bezit hij landgoederen, maar of hij daar ook graaf mag zijn is onbekend.
Het magescheid rond 860
In de literatuur wordt soms geen onderscheid gemaakt tussen de Wichman
(II) uit 855 en de Wichman (III) die in 880 sneuvelt. In het hier geschetste
scenario is Wichman (II) rond 795 geboren en is hij in 880 te oud om
tegen de Noormannen ten strijde te trekken. Met scenarios die van een
latere geboortedatum uitgaan is zoiets natuurlijk wel mogelijk.
Van Winter maakt dat onderscheid wel en vermoedt dat omstreeks 860,
na de dood van Wichman (II), een "magescheid" (erfdeling) van
de rechten en bezittingen van de familie plaatsvindt. De goederen en
rechten van de familie in Westfalen komen volgens haar hypothese in handen
van de Billungers. De belangen in Nederland (Gelderland, Overijssel,
Drenthe) zijn voor de Meginhardi weggelegd. Het Groninger Ommeland wordt
naar haar mening verder opgesplitst in goederen en graafschapsrechten.
De (land)goederen zijn voor de Meginhardi, terwijl de Billungers de (grafelijke)
rechten krijgen. Op deze wijze wil zij verklaren waarom Ekbert
(I en II) van Brunswijk (Braunschweig) en hertog Gozelo
I van Verdun hun rechten
in het Groninger Ommeland in de elfde eeuw kunnen opeisen.
Ekbert I en II zijn telgen van de zogenoemde Brunonen. De Brunonen zijn
via het huwelijk van Liudolf
III van Brunswijk met Gertrud, kleindochter
van Ekbert II 'Eenoog' aan de Billungers verwant. Gozelo
I is een zoon
van van Mathilde
van Saksen, een Billunger dochter. Zo komt Van Winter
tot een overervingspad van zes (Gozelo I) of acht (Liudolf III) (aangetrouwde)
generaties, gerekend vanaf Wichman (II).
In zes tot acht generaties komt er uiteraard veel meer 'familie' in
aanmerking om een stukje Ommeland op te eisen dan alleen voornoemden.
Bijvoorbeeld de mannelijke linie van de Billunger tak zelf. Grafelijkheidsrechten
en rijkslenen gaan in beginsel naar de oudste zoon. Een verdeling over
meerdere zoons is ongebruikelijk en dient goedgekeurd te worden door
de koning of keizer. Afsplitsing van een deel als huwelijksgift voor
een dochter, terwijl er zonen geboren zijn is niet onmogelijk, maar niet
waarschijnlijk.
Van Winters hypothese mag dan op gekunstelde wijze verklaren
waarom Liudolf
III en Gozelo
I zich in het noorden roeren, maar geeft geen
verklaring waarom Rudolf
van Werl en zijn neefjes Bernhard
(III) en Adalbert zich rond die tijd aan de Groninger kust vertonen.
Balzer heeft
recentelijk de (hypothetische) erfdeling rond 860 overgenomen. Zij stelt
in tegenstelling tot Wenskus Hummersen gelijk
aan de gouw Humsterland. Deze nieuwe identificatie
van Hummersen en de toewijzing van de rond het jaar 1000 geslagen Friese
munten aan Wichman
III van Vreden geeft volgens haar ondersteuning aan
Van Winters hypothese. Het is vervelend dat
Liudolf een vaak voorkomende naam is, zodat niet zeker is wie het hier
betreft. Balzer draagt in de Groningse problematiek geen nieuwe argumenten
aan.
Jackman biedt
op zijn eigen wijze een verklaring voor de komst van Rudolf van Werl
in Groningen. Hij identificeert Godfried ‘de Gevangene’ als
Godfried ‘de Prefect’ en maakt van de prefectuur een ambtsgebied
waarin ook Groningen valt. Vervolgens laat hij eenvoudigweg een dochter
van Godfried 'de Gevangene/Prefect', Adelheid geheten,
trouwen met Rudolf
van Werl, zodat het logisch is geworden dat Rudolf in Groningen optreedt.
Over de onjuiste identificatie van Godfried ‘de Gevangene’ als ‘de
Prefect’ is elders op deze site een noot gekraakt, waardoor deze
verklaring vaste grond ontbeert.
Er gaat niets boven Groningen
Jongbloed gaat
uit van een ander scenario dat niet zo veel generaties teruggrijpt om
te verklaren hoe de Groninger Ommelanden bij Verdun en
de Brunonen terecht kan komen. In zijn scenario
erft het huis
Verdun de Meginhardse bezittingen in Friesland door het huwelijk
tussen Godfried
'de Gevangene' en Averarda, de dochter van Everhard
van Salland. Godfrieds
zoon Gozelo
I erkent in 1024 Koenraad
II niet als koning. Wanneer hij
in 1025 Koenraad II alsnog zijn hulde bewijst, moet hij als straf een
leengraaf in Hunzego en Fivelgo accepteren. De leengraaf l wordt gerecruteerd
uit de naaste familie van koningin Gisela;
haar halfbroer Rudolf is
de uitverkorene. Of haar Werler halfneefjes Bernhard
(III) en Adalbert en
haar zoon uit een eerder huwelijk: Liudolf
III van Brunswijk ook mogen
meedelen in de Verdunse buitenkans is ongewis. Het is niet rechtstreeks
uit de bronnen af te leiden dat Gozelo
I voor Bernhard (III), Adalbert
en Liudolf III in respectievelijk Emsgouw, Federgouw en Humsterland-Achtkarspelen
in leenbezit heeft gehad. Naar analogie van de gang van zaken in Hunzego
en Fivelgo is zoiets voorstelbaar. Jongbloeds scenario krijgt op deze
website vooralsnog de voorkeur, omdat het alle acteurs in één
drama samenbrengt.
Links- of rechtsom, Wichman (III) en Meginhard II verdelen in 860 de
erfenis onderling. De gekunstelde scheiding van grafelijk recht en goed
in de Groninger Ommelanden is niet nodig. De boedelverdeling is door
het invoegen van een erfdochter simpel geworden. Wichman (III) krijgt
als oudste zoon het vaderlijk goed en de grafelijke rechten en Meginhard
II vestigt zich in de geboortestreek van zijn moeder, zoals jongere zonen
vaker doen. Moeders goed en de hierbij horende grafelijke rechten bestaan
uit: Hamaland (Lijmers en IJsselgouw), Veluwe, Salland, Drenthe, Hunzego
en Fivelgo. Daarmee volgt de scheidingsgrens vanaf Twente naar het noorden
ongeveer de moderne Nederlandse grens. Hierdoor ontstaat een bufferzone
tussen Middenrijk en Oostfranken van de Noordzee tot de Rijn. Wichman
(III) trouwt met Imhilde en zijn nageslacht
zal de hertogen van Saksen voortbrengen. En Meginhard
II volgt zijn vader in het
'Nederlandse' goed op.
|
|