| |
Balderik, 1003-1016
Graaf van Drenthe en Salland
Een succesverhaal
Zijn onduidelijke afkomst
weerhoudt Balderik er niet van een glanzende carrière op te bouwen. Zijn
biografie laat zich lezen als een succesverhaal. Zijn echtgenote Adela van Hamaland zou volgens Alpertus boven hem verheven zijn, maar Alpert zelf legt Adela de volgende woorden in de mond: "... ga naar de koning en eis de prefectuur op, die jou, op grond van de graad van verwantschap en je voorgeslacht, met mee recht toekomt." Balderik is dus niet de eerste de beste.
In 1003 wordt hij voor het eerst in een oorkonde als "graaf"
genoemd. In 1006 treedt hij op als graaf in Drenthe en vermoedelijk in
Salland. In datzelfde jaar weet hij een Vikingaanval bij Tiel af te slaan.
Hij treedt bij deze aanval op als plaatsvervanger van de prefect Godfried.
Zijn benoeming tot prefect zal hem de graafschappen wel hebben opgeleverd.
Balderik heeft veel verspreide bezittingen. Zo heeft hij hoeves in Doesburg,
Hummelo, Angerlo, Voorthuizen, Didam, Tongeren, Doesburg, Dieren, Soeren,
Doornspijk, Helbergen, Voorst, Azewijn en Westervoort. Verder de nog niet
nader te duiden oorden Swelle, Eliza, Merclede, Hecra, Hecheim, Dule,
Eltna en Lopena. Dit zijn allemaal goederen die graaf Werner
(II) in 1025 uit de geconfisqueerde boedel van Balderik zal krijgen
(erven?).
Daarnaast heeft Balderik bezittingen in de Duffelgouw, waar hij tussen
1014-1016 het klooster Zyfflich sticht. Zijn bezttingen in Duffel zullen
later in handen van de graven van Kleef komen.
Kandidaten voor de prefectuur
Wanneer Godfried
'de Prefect' overlijdt komt zijn ambt van prefect vrij. Balderik meent
dat hij de aangewezen opvolger is, tenslotte heeft hij Godfried al in
die functie succesvol vervangen. Balderik draagt rechten via zijn vrouw,
een dochter van Wichman (IV), maar als neef van Godfried is hij zelf ook
drager van rechten, maar er zijn kapers op de kust.
Wichman
III van Vreden, wiens goederen aansluitend aan Hamaland liggen heeft
ook trek in het ambt. Hij is getrouwd met Reinmod,
dochter van Godfried 'de Prefect'. Wichman III is een zoon van Ekbert
II "Eenoog". Zijn moeder is helaas onbekend, zodat onbekend
is of hij via moeders zijde ook rechten op de prefectuur kan uitoefenen.
In ieder geval brengt Reinmodis rechten met zich mee. De verwantschap
met zijn voorganger en naamgenoot Wichman
(IV) ligt waarschijnlijk te veel generaties in het verleden. Volgens
Alpert, de chroniquer,
treedt Wichman III op als voogd voor een naamloze zoon van Godfried. In
de literatuur wordt deze zoon Adalbert genoemd
en resideert hij in Gennep. Volgens Alpert
is hij een "vadsige domkop en een fysiek
wrak". In de literatuur wordt hij meestal voor zwakzinnig
versleten. Een familiekwaal die later ook bij Gozelo
II voorkomt.
Balderik wordt prefect
Keizer Hendrik II benoemt
Balderik als prefect en gaat voorbij aan de aanspraak van Wichman III.
Bij terugkomst neemt Balderik Gennep in.
Wichman III van Vreden verdedigt Adalberts (en
eigen) belangen en een nieuwe strijd ontbrandt. Over en weer worden wreedheden
begaan. Adela laat, volgens Alpert, zelfs gevangenen de neuzen en oren
afsnijden. Balderik wordt op een gegeven moment gevangen genomen, waarbij
een pluk uit zijn baard wordt getrokken. Adela moet een losgeld voor hem
betalen om hem vrij te krijgen.
Twee keer wordt de vrede getekend, maar beide keren hervatten de kemphanen
op verraderlijke wijze de oorlog. Balderik wordt gesteund door Gerhard
(III) "Mosellanus" en Lambert
I van Leuven. Twee heren die, om verschillende
redenen, het rijksgezag
aan hun laars lappen. Met beide graven is Balderik waarschijnlijk
verwant, met Gerhard III via Kunigunde
van Henegouwen en met Lambert I via Reginar
II van Henegouwen en ook via Ricfried
van Betuwe. Wichman III wordt gesteund
door een oude strijdmakker van Balderik, Godizo
van Aspel.
In 1012 veroveren Balderik en Gerhard (III) de burcht Heimbach op Godizo.
Eindelijk een verzoening
Wichman III nodigt Balderik in 1016 uit voor een gastmaal en na afloop
begeleidt hij zelf Balderik naar huis. Tijdens die reis nodigt Balderik
zijn vroegere vijand uit om van zijn gastvrijheid gebruik te maken en
de maaltijd bij hem te gebruiken. Wichman III aarzelt; hij vertrouwt klaarblijkelijk
gravin Adela niet helemaal, maar vanwege de nieuwe vriendschap besluit
hij de uitnodiging aan te nemen. Tegen de raad van zijn mannen in volgt
hij Balderik naar Opladen. Bij
de ophaalbrug spreekt Wichman III tot zijn gastheer: "Zie,
tegen de wil van mijn lieden betreed ik de burcht, niet wetende wat mij
daar geschieden zal, maar ik verlaat mij op God en op onze vriendschap".
Balderik wordt verrast door deze woorden en zegt: "Met
Gods wil zal u geen onheil of ongemak geschieden".
Adela is hevig verrast door de komst van Wichman III, wie ze diep in haar
hart de schuld geeft van al het ongemak dat ze heeft geleden. Ze laat
niets blijken en met vleiende woorden treedt ze Wichman III tegemoet.
In haar hoofd zit ze, volgens Alpert,
meteen plannen te beramen om hem evenals haar zuster op de gifbeker te
trakteren. Inmiddels wijzer geworden durft ze dit snode plan niet in Opladen
uit te voeren. Opnieuw zoekt ze contact met enkele huurmoordenaars, die
voor een ruim bedrag wel nader kennis willen maken met Wichman III. Balderik
weet van niets en vermoedt niets, want Adela weet zich tegenover Wichman
III allervriendelijkst te gedragen.
Wraak op Wichman III
Na
drie dagen verwennerij vertrekt Wichman III. Balderik, blij dat er niets
is gebeurd onder zijn dak, begeleidt vrolijk schertsend zijn gast een
eindje. Na ongeveer een uur gaans nemen ze hartelijk afscheid en gaan
ieder huns weegs. Meteen na dit afscheid wordt Wichman III met zijn gezellen
aangevallen door 'rovers' en wordt hij doodgeslagen.
Balderik die wel vermoedt dat hij de schuld van de moord zal krijgen verschanst
zich op Opladen. Hij wordt door
bisschop Adelbold van Utrecht buiten de wet gesteld. Het tumult dat hierop
ontstaat, mondt uit in het beleg
van Opladen. Balderik wacht dat beleg niet af en verdwijnt.
Nasleep
Balderik heeft asiel gezocht en gevonden bij aartsbisschop Heribert
van Keulen. Intussen worden zijn
goederen door de keizer geconfisqueerd.
Wanneer de keizer in 1018 op de rijksdag
in Nijmegen de vrede wil herstellen nodigt hij ook Balderik uit. Balderik
heeft moed om te verschijnen en zich voor de voeten van de keizer te werpen.
Hij ontsnapt amper aan de woede van zijn vroegere vijanden. Na zijn vlucht
uit zwerft Balderik langs de Rijn, waar hij door zijn enige overgebleven
vriend, de aartsbisschop van Keulen, wordt beschermd.
In 1019 wordt Balderik op de rijksdag te Dordmund van de moord
op Wichman III van Vreden vrijgesproken, maar er zijn niet genoeg
redenen, gegrond of ongegrond, om de verbeurdverklaring van de goederen
ongedaan te maken.
Balderik vestigt zich bij Heimbach aan de Roer
in de buurt van Aken, alwaar hij met nachtelijke strooptochten de buurt
onveilig maakt. Na enige jaren waarin Balderik een zwervend bestaan leidt,
komt het uiteindelijk tot een verzoening met de keizer. Balderik
en Adela worden in Keulen door Gerard
(III) "Mosellanus" herenigd.
Op 5 juni 1021 overlijdt Balderik in Heimbach. Hij wordt in het door hem
gestichte klooster Zyfflich begraven.
|
|