|
Otto II de Stedenstichter, 1229-1271
Graaf van Gelre en graaf van Zutphen
Vele bijnamen
Otto
II heeft van alle Gelderse graven de meeste bijnamen. Dit wordt veroorzaakt
door een gebrek. Zo wordt hij 'de Lamme', 'de Hinkende' of 'Otto met de
Paardenvoet' genoemd. Deze handicap heeft hem blijkbaar nooit gehinderd
in het uitoefenen van de Gelderse macht.
In 1229 volgt hij zijn vader Gerard IV
op minderjarige leeftijd op. Geboren in 1214 is hij dan pas 15 jaar oud.
Otto II zal uitgroeien tot een van de beste vorsten die Gelre ooit zal
hebben. De 42 jaren die hij zal regeren zijn jaren van voorspoed voor
De Graafschap en dat in de moeilijke dertiende eeuw, waarin heel Europa
in beweging is. Otto II trouwt in 1240 met Margaretha
van Kleef, de dochter van graaf Diederik
V van Kleef en Mechtild van Dinslaken.
Zij schenkt hem twee dochters: Elisabeth
en Margareta.
Elisabeth trouwt op 17 maart 1249 met graaf Adolf
VII van Berg. Zij zal op 31 maart 1331 komen te overlijden.
Margareta trouwt voor 1262 met graaf Enguerrand
IV de Coucy. Zij zal voor 1286 overlijden.
Heraldiek
In
1236 blijkt Otto II van wapen te zijn veranderd. Hij vervangt de bloemen
door een gouden leeuw. De reden voor deze verandering is onbekend. In
1256 wordt het wapen als volgt op diverse wapenrollen beschreven: "de
graaf van Gelre, het schild blauw met een gouden leeuw en bezaaid met
gouden blokjes". Niettemin blijven de bloemen deel uitmaken van de symbolen
die de graaf gebruikt. Een gouden leeuw is het symbool voor hertogen en
is verbonden met een hoge militaire rang. Daar Otto II geen hertogstitel
heeft, kunnen de blokjes als 'vermindering' zijn toegevoegd. Tot 1339,
wanneer Reinald II tot hertog van Gelre wordt
verheven, blijft dit het wapen van de graven van Gelre. Misschien mag
men uit dit nieuwe wapen afleiden dat Otto II al doelbewust naar een hogere
rang streeft.
Een economische strateeg
Otto II ontpopt zich als een sterk econoom. Hij zet zich in voor zijn
landen, die hij aaneen probeert te smeden. Zijn grondgebied is immers
een lappendeken, verspreid over vier kwartieren: het Overkwartier langs
de Maas bij Roermond, het Betuwekwartier tussen Lek en Waal, het Veluwekwartier
met de Nederrijn en het graafschap Zutphen met de rivieren de IJssel en
Berkel. Otto II ziet in dat deze rivieren belangrijke handelsroutes zijn.
Bovendien loopt de handelsroute tussen Antwerpen en Keulen ten dele door
zijn territorium. Otto II beschermt de handelsreizigers, maar verdient
tevens goed aan hen door het heffen van tol. Hij gebruikt zijn tol- en
belastingopbrengsten om strategisch gelegen grondgebied aan te kopen.
Hierbij laat hij zich leiden door de loop van de rivieren. Hij beseft
dat hij door het bezit van alle grond langs de rivieren bijna onbeperkte
macht kan uitoefenen.
Otto II staat al snel bekend als een rijk man. Zo leent hij in 1230 in
Keulen geld aan Gerard van Sinzig en 1231 in
Worms aan Gerlach van Budingen. Op 11 november
1231 leent hij in Leuven 2000 Keulse mark aan de hertog van Brabant. Ook
zal hij enorme sommen aan Willem
II van Holland gaan lenen.
In
november 1231 beleent keizer Friedrich
II, die steun probeert te verwerven voor zijn moeilijke positie, de
dan 18-jarige Otto II met alle rechten en goederen voor zover zij rijkslenen
zijn. Friedrich II geeft het één naam: Gelre. Hiermee
verkrijgt de opkomende Gelderse macht voor het eerst een fundamentele
juridische basis; Gelre is een rijksleen.
Dit houdt echter ook in dat het graafschap alleen nog maar in mannelijke
lijn overerfbaar is, maar dat zal toch geen probleem worden?
Meer nog dan zijn voorgangers stimuleert Otto II de economische bedrijvigheid
in de steden en dorpen. Hij verleent voorrechten en stadsrechten aan diverse
steden, maar houdt toch overal een vinger aan de pols. In de Achterhoek
verleent hij stadsrechten aan Lochem,
Groenlo, Doesburg en Doetinchem.
Hij begrijpt als eerste Gelderse graaf dat florerende steden en dorpen
bronnen van inkomsten zijn, maar zich ook kunnen ontwikkelen tot concurrerende
machtscentra. De rechten die hij verleent, beschouwt hij zelf als heilige
beloftes. Hij zal in totaal 29 steden rechten verlenen, dus zijn in latere
tijden ontstane bijnaam 'Stedenstichter'
verdient hij ten volle.
Een politieke strateeg
Op 27 mei 1234 gaat Otto II, ingegeven door zijn christelijke verantwoordelijkheid,
op mini-kruistocht tegen de Stedingers.
Deze kruistocht mondt uit in de slag
aan de Wezer. Het is onbekend of Otto II zijn handicap in deze slag
oploopt of anderszins heeft gekregen.
Met Otto II aan het bewind gaat Gelre een andere politieke koers varen.
Net als andere Neder-Lotharische vorstendommen raakt hij langzamerhand
vervreemd van de Staufische keizer. Zo wordt bijvoorbeeld in 1236 zijn
aanwezigheid aan het keizerlijke hof in Koblenz slechts éénmaal vastgelegd
als de keizer de stad Keulen in haar stadsrechten bevestigt. Zijn inmiddels
neutrale houding komt goed naar voren in 1240 wanneer Otto II bemiddelt
tussen Innocentius IV (1242-1254/55) en keizer
Friedrich II.
In Duitsland en Italië staan de paus en de keizer namelijk tegenover elkaar.
Paus Innocentius IV zet de territoriale vorsten en bisschoppen van Lotharingen
op tegen hun keizer. Dit is de zoveelste aflevering uit de feuilleton
die Investituurstrijd
heet. Onder Friedrich II begint de keizerlijke
troon te wankelen. In deze roerige periode komt Otto II in 1244 in
contact met Konrad van Hochstaden, aartsbisschop
van Keulen (1238-1261), als deze een aflaat verleent aan het klooster
te Roermond. Geregeld weet Otto II hem bij Gelderse affaires te betrekken.
Van 1225 tot 1238 is de van oudsher goede relatie van Gelre met Keulen
bekoeld. Otto II is inmiddels familiebanden aangegaan met Gulik, Kleef
en Brabant om zijn politieke belangen veilig te stellen. De hernieuwde
relatie met aartsbisschop Konrad van Keulen zal Otto II geen windeieren
gaan leggen.
Betrokken bij de keizerstroon
In 1245 wordt Friedrich II door de paus geëxcommuniceerd en afgezet als
keizer van het Heilige Roomse Rijk.
In Neder-Lotharingen wordt de opstand geleid door de hertog van Brabant
en de Keulse aartsbisschop. In 1247 wordt Otto II door de paus benaderd
om Rooms-Koning te
worden. Hij is de tweede keus, want de hertog van Brabant heeft de kroon
al geweigerd. Otto II is een verstandig man en wijst het vererende aanbod
van de hand. Hij ziet in dat dit niet meer dan zorgen en nadeel zal brengen.
Hij verwijst de pauselijke afgezanten naar zijn jonge neef graaf Willem
II van Holland. Misschien dat die enige ambities in keizerlijke richting
heeft. Dat heeft Willem II
inderdaad.
In 1250 overlijdt keizer Friedrich II en zijn opvolger
Konrad IV sterft al snel in 1254. Voor Willem II van Holland is nu
de weg vrij om tot Rooms-Koning te worden gekroond. Otto II steunt de
jonge koning om vaste voet in Duitsland te krijgen. Hij leent hem in eerste
instantie 10.000 mark zilver. Hiervoor wil Otto II uiteraard wel een onderpand
hebben. Zijn verovering van Nijmegen op de Staufische partij wordt een
officieel onderpand. Om het beleg
van Aken te bekostigen wordt de pachtsom in mei 1248 verhoogd tot
16.000 mark zilver.
Nijmegen in Gelders bezit
De
condities voor deze enorme lening zijn zeer eenvoudig. Voor zijn lening
ontvangt Otto II op 8 oktober 1247 rijksstad Nijmegen met het Rijk van
Nijmegen in onderpand en als Willem II terugbetaalt, krijgt hij de stad
terug. De som zal echter nooit terugbetaald worden en de graven van Gelre
zijn voorgoed heer van stad en burcht Nijmegen, Rijk van Nijmegen en alle
daaronder vallende leen- en dienstmannen. Vijf dagen later weet hij van
Rooms-Koning Willem II gedaan te krijgen dat bij ontstentenis van zonen
zijn dochters mogen erven. Zijn vrouw Margaretha heeft hem tot nu toe
alleen dochters gebaard. Een echte stamhouder zou Otto II beter doen slapen,
want wie weet waar zijn graafschap na huwelijken terecht komt?
In 1248 aanvaardt Otto II de stad, hoewel de Nijmegenaren, die de partij
van Friedrich II aanhangen, zijn intocht met afschuw begroeten. Zonder
slag of stoot gaat het niet, want er is een kleine bezetting die te zwaard
bestreden moet worden. De verstandige Otto II waarborgt de rechten en
voorrechten van Nijmegen en de stad schikt zich in de nieuwe situatie.
Als oude rijksstad bekleedt Nijmegen de eerste rang onder de vier Gelderse
hoofdsteden en wordt zij door de opeenvolgende graven en hertogen van
Gelre met aparte status benaderd. Otto II laat in 1250 aanvangen met de
bouw van de Sint-Stevenskerk, die pas in 1476 zal worden voltooid.
Uitbreidingen in De Graafschap
Naast de verwerving van Nijmegen weet Otto II zijn grondgebied in de
Achterhoek danig uit te breiden. Zo is hij in bezit van enkele goederen
in de Liemers, maar hoe lang dat al in bezit van de graven van Gelre (Gelder)
is, is onbekend. Het kan zijn dat dit gebied uit de erfenis van Hamaland
komt. Otto II koopt op 25 mei 1236 de stad Groenlo
van de heer van Borculo. Op 7 juni 1243 worden Sweden
van Dingeden en zijn zoon leenmannen van de graaf.
In 1246 doet Otto II goede strategische zaken. In dat jaar draagt namelijk
graaf Herman I van Lohn Bredevoort
dat hij voor de helft bezit, in leen op, waarna graaf Herman I de stad
en burcht in leen terug ontvangt. De onduidelijke akten, er wordt bijvoorbeeld
niet over de heerlijkheid gesproken, die hierbij worden opgemaakt zullen
later vervelende gevolgen voor de relatie tussen Munster en Gelre hebben.
Bredevoort ligt op de grens tussen Gelre en Munster en is zowel belangrijk
als steunpunt en als uitvalsbasis. Bovendien zegt de graaf van Lohn toe
dat hij de lenen die hij van de heer van Heinsberg
houdt niet zonder toestemming van de graaf van Gelre zal vervreemden.
Deze lenen zijn waarschijnlijk de gerichten van Varsseveld en Silvolde.
In
september 1253 draagt Otto van Bentheim enkele
allodiale goederen aan de graaf
van Gelre op, die hij in leen terug krijgt. Het betreft Benthem,
Malssen en Mauderick. aan
de graaf van Gelre op, die hij in leen terug krijgt. Het betreft Benthem,
Malssen en Mauderick. Op 28 september 1255 koopt Otto II de jurisdictie
over Hengelo, Zelhem en Gooi, ten noordoosten van Keijenborg, van graaf
Herman I van Lohn. Ook richt Otto II zich op
uitbreiding in de Liemers.
Op 18 december 1260 koopt Otto II het allodium Drumpt
(Drempt) van het klooster Ter Hunnepe.
Op het toppunt van zijn macht
De samenwerking van Otto II met de paus
en de aartsbisschop van Keulen bereikt
in de jaren 1247 tot 1256 haar hoogtepunt. Dit is niet toevallig gelijktijdig
met de machtsstrijd tussen paus en keizer, waarin graaf Willem
II van Holland Rooms-Koning is. In deze periode ontvangt Otto II diverse
voorrechten, waar hij dankbaar gebruik van maakt. Zo mag hij enkele novale
tienden in het bisdom Utrecht, die hij zich onrechtmatig heeft toegeëigend,
behouden. Hier gaat het waarschijnlijk om tienden in Lochem.
Ook enkele onrechtmatige aanwastienden in de Rijn en IJssel mag hij behouden.
De verplaatsing van de tol
aan de Rijn, die onder zijn vader Gerhard
IV al de nodige problemen met zich meebrengt, wordt op 1 november
1247 nogmaals goedgekeurd middels een pauselijke oorkonde. In 1251 vindt
een omvangrijke uitruil van goederen plaats met het aartsbisdom Keulen,
zodat er een nieuw huisklooster voor de graven van Gelre gesticht kan
worden. Om de bouw van het klooster Grafenthal bij Kleef mogelijk te maken
vaardigt de aartsbisschop tot tweemaal toe oorkonden uit waarin iedereen
die helpt bouwen een aflaat verdient. In 1258 wordt tenslotte een derde
aflaat verkregen.
De diplomaat
Geregeld wordt Otto II gevraagd om te bemiddelen bij twisten. Zijn invloed
neemt navenant toe. Zo treedt hij op 13 juli 1244 als arbiter op in een
geschil tussen Brabant en de aartsbisschop van Keulen. Op 23 september
1246 verkrijgt hij dezelfde functie in een geschil tussen graaf Arnold
van Looz (Belgisch Limburg) en Aleidis van Auvergne.
Op 13 december 1251 onderhandelt Otto II om tot een verdrag tussen hertog
Hendrik van Brabant en de stad Keulen te komen. Op 15 februari 1253 neemt
hij deel aan een uitspraak in een geschil tussen Jan
van Avesnes en de graaf van Anjou. Op 2 oktober 1256 te Brussel weet
hij Vlaanderen en Holland tot een verdrag te bewegen. De volgende klus
is op 21 maart 1257 als hij meewerkt aan de beëindiging van de geschillen
tussen de bisschop van Luik en de hertog van Brabant en op 12 juni van
dat jaar doet hij een arbitrale uitspraak bij de stad Utrecht versus hun
bisschop. En in een oorlog tussen Kleef en het aartsbisdom Keulen is het
opnieuw Otto II die de vrede weet te bewerkstelliggen. Op 2 september
1258 treedt Otto II op als medearbiter bij een conflict tussen de graaf
van Sayn en de graven van Nassau. Kortom zijn diplomatieke kwaliteiten
worden alom erkend.
Ridderlijkheid in moeilijke tijden
Als
graaf c.q. Rooms-Koning Willem
II van Holland in 1256 sneuvelt, breekt in Duitsland een periode van
anarchie aan. Het is de grote verdienste van Otto II dat hij het verbond
van rijke koopsteden langs de Rijn, waarvan Keulen en Mainz de belangrijkste
zijn, steunt waar hij kan. Die steun hebben ze hard nodig, want vele (roof)ridders
en gewone rovers maken in de Rijnstreek de rivieren en wegen onveilig.
Samen met zijn zwager graaf Willem van Gulik, zijn neef de graaf van Kleef,
de bisschop van Utrecht, de gravin van Bergisches Land (Duitsland), de
aartsbisschop van Keulen en veel steden en edelen weet Otto II op 14 november
1259 een grote landvrede te bewerkstelligen. Kooplieden en reizigers kunnen
nu vreedzaam en veilig door hun landen trekken, uiteraard onder betaling
van redelijke tollen en weggelden. Elke heer zal geschikte lieden benoemen
die alle klachten over vredebreuk onderzoeken, waarna de landsheer
zal zorgen voor vergoeding van de schade. Als die heer niet machtig genoeg
is, zullen de bondgenoten hem helpen. Is hij onwillig, dan zullen de bondgenoten
hem dwingen. Ondanks alle goede bedoelingen komt er in de praktijk weinig
van terecht. Maar de intentie is er. Door een tijdgenoot wordt Otto II
beschreven als 'de edelste vorst uit de Germaanse
landen'.
Opvolgingsperikelen
Otto II weet zijn broer Hendrik van Montfort aangesteld
te krijgen als bisschop van Luik. Deze Hendrik zal overigens nooit door
de paus tot bisschop worden gewijd, omdat hij te losbandig is en zich
meer als krijgsman dan als geestelijke gedraagt.
Als zijn vrouw Margaretha van Kleef op
10 september 1251 sterft, is er nog steeds geen mannelijke opvolger. Daar
zijn broer Hendrik als geestelijke ook geen mannelijke opvolgers zal krijgen
begint Otto II hem te knijpen. Zijn dochters mogen dan wel erven, maar
met een zoon zou hij zekerder zijn van het voortbestaan van Gelre.
In 1253 hertrouwt Otto II met Philippa van
Dammartin, weduwe van Raoul de Coucy. Zij
schenkt hem waarschijnlijk vier dochters... maar ook de zo verlangde zoon, Reinald
(I). De eerste dochter heet Philippa van
Susteren. Zij trouwt met Walram van Valkenburg
(1254-1302) en zal overlijden na 1294. De tweede dochter heet Margareta.
Zij trouwt met graaf Diederik VIII van Kleef
(circa 1257-1305) en zal ergens tussen 1282-1287 overlijden. De derde
dochter heet Maria en zij zal ongetrouwd overlijden
rond 1306. De waarschijnlijke vierde dochter heet Agnes en is getrouwd met Hendrik III van Borculo.
Ten onder aan eigen succes
Graaf Floris V van Holland is in 1256 nog te jong
om graaf Willem II op te volgen. Als in 1263 zijn voogd en oom bij een
steekspel omkomt, zit men in
Holland met de handen in het haar. De hertog van
Brabant wil de voogdij wel uitoefenen, maar door eigen onbekwaamheid
en/of zwakzinnigheid moet hij door toedoen van zijn eigen hovelingen het
veld ruimen. Otto II wordt door de Hollanders uitgenodigd om voogd te
zijn van Floris V. Diens tante Aleida wenst echter
zelf voogdes te zijn en verzamelt zich met haar troepen in Zeeland. Samen
met Hendrik achtervolgt hij Aleida tot Reimerswaal,
waar hij haar in 1263 verslaat. Otto II is nu tot de meerderjarigheid
van Floris in 1266 voogd. Met geweld eist Otto II nu ook de voogdijschap
over Brabant op. Dat blijkt echter te hoog gegrepen. Hij is het slachtoffer
geworden van zijn eigen succes. Met bevriende bisschoppen in Utrecht en
Luik en aanspraken in Brabant en Holland begint Gelre voor de vorsten
van Engeland en Frankrijk een bedreiging te worden. Hij wordt tegengewerkt.
Het lukt hem niet om de zo fel begeerde voogdijschap van Brabant te verwerven.
Moegestreden
Intussen heeft Otto II zijn neef Jan van Nassau
gekozen weten te krijgen als bisschop van Utrecht. In zijn laatste levensjaren
vecht hij enkele geschillen met de stad Zutphen uit. De ruzie loopt zo
hoog op dat hij de tolvrijheid van Zutphen intrekt. Op zijn sterfbed krijgt
hij spijt van die actie, maar zijn voornemen de Zutphenaren in hun eer
te herstellen wordt door zijn zoon uitgevoerd. Op 10 januari 1271 sterft
Otto II en zijn enige zoon Reinald I volgt
hem op. Otto II wordt begraven in het klooster 's-Gravendaal bij Goch
dat hij zelf heeft gesticht ten behoeve van adellijke cisterciënzer nonnen.
In de boomgaard naast de kerk staat nog zijn graftombe. In 1807 is de
kerk daar afgebroken en volgens de toenmalige archivaris zijn de overblijfselen
naar Arnhem overgebracht en daar begraven. In Arnhem is hier echter niets
over bekend. In 1280 blijkt broer Hendrik niet langer te handhaven in
zijn ambt en wordt hij tot aftreden gedwongen. Otto II's tweede vrouw
Philippa zal tussen 1277-1281 komen te
overlijden.
|
|