| |
Diederik, 1122-1138
Heer van Ulft
Theodericus de Ulfte
De eerste heer die in een adem met het kasteel te Ulft wordt genoemd
is Diederik (Dirk of Derk). Voluit heet hij Theodericus
de Ulfte en hij komt in 1122 voor het eerst in de bronnen voor.
Diederiks herkomst is onbekend, maar doordat hij veelvuldig in oorkonden
voorkomt zijn via collega-getuigen wel enkele gevolgtrekkingen te maken
over de familie waarin hij geplaatst kan worden. Eerst enkele feiten.

Graag geziene gast
In 1122 wordt Diederik voor het eerst als getuige genoemd wanneer aartsbisschop
Frederik I van Keulen bemiddelt in een zaak
tussen het kapittel van Sint Victor in Xanten en de voogd van Xanten Arnold
I, graaf van Kleef. Diederik staat zonder titel bij de laatstgenoemden
en heeft blijkbaar geen juridische macht.
Diederik getuigt in 1131 opnieuw bij een schenking waarbij Frederik I
van Keulen een gift goedkeurt. Een jaar later heeft Diederik zich een
goed van het kapittel in Xanten toegeëigend. De nieuwe aartsbisschop Bruno
II van Keulen vermaant Diederik, waarbij hij als compromis voorstelt
dat Diederik zijn plicht als dienstman op het leen zal vervullen. Het
goed blijft dus van Xanten, maar Diederik zal het beheren.
In 1135 wordt Diederik genoemd in een getuigenlijst na hertog Walram
III van Limburg en de graven Gerhard III
van Gulik en Adolf I Saffenberg en
enkele anderen. Een tweede keer dat jaar wordt Diederik achterin de rij
na Hendrik II van Kessel (of Kriekenbeek)
en Gerhard II van Hochstaden genoemd.
In 1136 wordt Diederik opnieuw in een Keulse getuigenlijst genoemd waarin
de graven van Saffenberg, Berg, Deutz en Bonngouw en de burggraaf van
Keulen voorkomen. Een tweede keer dat jaar staat Diederik opnieuw aan
het einde van een reeks namen waarin Walram III van Limburg, diens zoon
Hendrik II en vervolgens de graven van
Saffenberg en Bonn de lijst aanvoeren.
Betrekkingen met het klooster Camp
In 1138 belooft Diederik samen met zijn vrouw Didla
dat zij de "curtis Gutterswick" (of Götterswick)
aan het klooster Camp schenken, onder de voorwaarde dat er geen nageslacht
is. Blijkbaar zijn Diederik en Didla dan nog kinderloos. Bij deze belofte
getuigen Walram III van Limburg en Koenraad
van Emmerik. Gutterswick blijkt later in het bezit van de graven van
Steinfurt te zijn, maar hoe zij het verkrijgen
is onbekend. Het kan niet uitgesloten worden dat het vrijgevige paar na
1138 nog kinderen heeft gekregen.
Het cisterciënzer klooster Camp ligt ten oosten van Geldern in Kamp-Lintfort.
Het klooster wordt in 1122 gesticht en graaf Hendrik
(II) van Gelre toont grote interesse in deze broederschap. De broeders
helpen hem woeste gronden in cultuur te brengen. Samen met zijn vrouw
schenkt Hendrik (II) enkele goederen in Holthuysen aan het klooster. Otto
I, Hendrik (II)'s zoon bevestigt de schenking en maakt het vrij van
afdragen aan de graaf. Vader en zoon zijn er tevens begraven.

Edelman, bedelman
Ondanks het feit dat Diederik menigmaal bij de laatstgenoemden op de
getuigenlijsten staat, is hij een belangrijke gast in de Keulse hofhouding.
Als leenman van het Keulse bisdom is hij misschien geen edelman van grote
allure, maar het bisdom Keulen is een van de belangrijkste hoven in het
Duitse rijk op dat van de keizer na. Zijn mindere status hoeft natuurlijk
niet te betekenen dat Diederik ook van mindere afkomst is. Diederik kan
bewust overgegaan zijn naar een lagere juridische status, waarbij hij
zijn goed aan het bisdom schenkt, maar het kasteel zelf familiebezit blijft.
Ook zijn schenking aan het klooster Camp duidt er op dat Diederik uit een
"goed nest" komt. Men kan alleen weggeven wat men bezit en eigen bezit
is meestal voor de hogere adel weggelegd.
Wie is Diederik?
Volgens Jackman is Diederik
een zoon van Eberhard, voogd van Werden,
en een onbekende dochter van Rutger
I van Kleef. Deze filiatie geeft een goede verklaring voor de getuigenissen
van Diederik in gezelschap van de graven van Bonn, Gulik, Hochstaden,
Kleef en Kessel.
Deze huizen stammen allen af van Gerhard
(III) 'Mosellanus' en de Ezzonen.
De naam Diederik in Gerhard (III)'s nageslacht houdt de herinnering aan
Diederik van Ringelheim
levend, maar de namen Dirk, Derk en Diederik komen veelvuldig voor.

Eerdere vermeldingen
Rond 1138 wanneer Diederik aan het eind van zijn leven is gekomen lijkt
de schenking aan het klooster, op voorwaarde dat er geen kinderen zijn,
een logische keuze.
Er bestaat een veel vroegere vermelding van een goed Ulft. Het is de vraag
of er hetzelfde Ulft mee wordt bedoeld. In 1028 geeft graaf Theodericus
drie hoeves van Ulft, gelegen in Twente, aan het klooster in Hohorst,
een stichting van Ansfried
II. Wie deze Theodericus is blijft vooralsnog een vraagteken.
In een andere vroege vermelding sticht Reginmuod
van Ulfte (Reinmod of Richmoth) in 1030 samen met bisschop Siegfried
van Munster (1022-1032) in diens bisdom zeven eigenkerken. Reginmuod
wordt samen met Liutgard, dochter van keizer
Otto I, en Imiza
(Irmengard) tot de weldoeners van Sint Victor in Xanten gerekend. Over
Imiza vermeldt het dodenboek van Xanten dat zij voor 1044 is overleden.
|
|