FeodalismeHet Karolingische RijkHet Karolingische Rijk brengt in het Gelderland
van de Middeleeuwen, waar voorheen van een centraal gezag weinig sprake
is geweest, christendom, cultuur, bestuur en rechtspraak. Het grootgrondbezit
in Oost-Nederland komt reeds in primitieve vorm voor. Hierbij liggen de
bezittingen van één eigenaar over grote gebieden verspreid. Met keizer
Karel de Grote wordt dit grootgrondbezit
georganiseerd door middel van het hofsysteem. Deze organisatievorm wordt
het eerst toegepast door de keizer, onder andere om militaire
redenen, en pas daarna door de landsheren. Dit geschiedt in een tijd
als de basis voor landsheerlijk gezag al is gelegd. De organisatie van
het grondbezit is een verdere uitbouw van dit gezag, niet het fundament
ervan. Het verspreid liggende grondbezit is ongeschikt om een basis voor
de landsheerlijke macht te vormen. Het hofstelselHet rijksgebied wordt door de keizer in gouwen verdeeld, die worden bestuurd
door meiers. Om zijn landgoed niet door een oorlog kwijt te raken draagt
de plaatselijke heer zijn goed vaak op
aan de keizer. Daarmee weet hij te bereiken dat hij zijn bezittingen in
leen terugkrijgt. De heer wordt als meier
benoemd en oefent nu legaal bestuur en rechtspraak uit over zijn gouw.
Onze term gerechtshof komt hier vandaan. Waarmee
voor de plaatselijke bevolking weinig verandert, behalve dat ze in naam
nu tot een groter rijk behoort en de lasten evenredig groeien. De meiers
moeten de administratie van de gouw voeren en jaarlijks een opgelegde
belasting afdragen. Het centrum waar de administratie van de landerijen
in de gouw wordt gevoerd heet een hof. Dit wordt hierdoor
een stapelplaats van onder andere hout en levensmiddelen. Eigenlijk heeft
het hof tevens de functie van een soort belastingkantoor. De hofIn 1234 ruilt graaf Herman I van Lohn
de curtis Varsseveld tegen hof Starkerode
te Winterswijk. Hierbij wordt het hof alsvolgt beschreven: "...
curtim nostrum in Versevelde, ad nos hereditario iure devolutam, cum agris
et arboribus, fossis circumdatam, cum loco molendinari et ubstal cum piscoturis
infra iacentibus...".
Meijers worden graven Het leen van de meijer betreft niet alleen het grondgebied en de mensen
die daarop woonden, maar ook het ambt van meijer zelf. Als deze lenen
bovendien
erfelijk worden, groeien deze ambtenaren
uit tot landsheren over steeds zelfstandiger wordende staatjes. De landsheren,
nu optredend onder de naam van graven en hertogen en in naam nog steeds
leenmannen van de keizer van het Heilige Roomse Rijk, geven zelf ook
goederen, ambten en rechten uit in op den duur erfelijk wordend leen.
Deze nieuwe leenmannen vormen samen met de graven en hertogen de adel. Het hof wordt kasteel
Leenmannen en leenherenDe verhouding tussen leenman en leenheer draagt een persoonlijk en militair karakter. De leenman verbindt zich door een eed van trouw en hulp aan de leenheer. Deze belooft op zijn beurt te zorgen voor onderhoud en bescherming. De leenman is verplicht bij de aanvaarding of opdracht van een leen hofrechten en heergewaad te betalen. Onder het eerste zou men een soort griffierechten kunnen verstaan. Heergewaad betekent oorspronkelijk krijgsuitrusting en kan bestaan uit bijvoorbeeld een (on)gezadeld paard, een koppel windhonden, een jachthoorn, een rode jachtsperwer, een vette pauw, enz. Allengs komen voor deze zaken geldbedragen in de plaats. In bepaalde gevallen is het mogelijk door afkoop van de verplichtingen een leen vrij te maken, waardoor het dus een eigen goed wordt. Aan het begin van de dertiende eeuw is de hoforganisatie nog in bloei. Vooral de heer in de Achterhoekse contreien, de graaf van Gelre, tracht door middel van hoven de landelijke bevolking te beheersen en als fiscale bron te exploiteren. InfrastructuurNiet alleen de boeren worden geëxploiteerd, ook de reizende handelaren hebben het te verduren. Wagens die omvallen of door hun assen zakken, leveren de heer inkomsten op. Hij heeft recht op de goederen die de grond beroeren, net zoals hij recht heeft op aangespoelde goederen uit gezonken schepen. Landwegen zijn dus notoir slecht. De hoofdwegen, de oude koningswegen, worden na de dood van Karel de Grote verwaarloosd. Later worden ze overgedragen aan de heren van de landsheerlijke staatjes. Die zien er geen voordeel in wegen en bruggen in goede staat te houden. Integendeel zelfs. Wie aan de weg woont, doet ook geen moeite deze berijdbaar te houden. Moet een aanwonende assisteren bij een vastgeraakte wagen door een voorspan te leveren, dan valt er wat te verdienen. Bij reparaties verdienen smeden, wagenmakers en herbergiers, want zo'n reparatie kan enige tijd vergen. Wegen worden niet meer verhard. Het zijn niet meer dan platgetreden paden en karrensporen. Moerassen, broeklanden en veengebieden zijn in de natte tijd onbegaanbaar. Ook de hoofdweg wordt niet onderhouden om het lieden met vijandige bedoelingen niet te gemakkelijk te maken om binnen te vallen. Het is overigens voor alle reizigers verboden om van de hoofdwegen af te wijken. Wie dat doet, is bij voorbaat verdacht en strafbaar. De landwegen zijn dus slecht, onveilig en duur wegens de vele tolheffingen.
Geld speelt een rolDoor gebrek aan geld wordt in de achtste eeuw de pacht in natura aan een hof betaald. Na 1200 begint geld een grotere rol te spelen. De hoven in de betekenis van stapelplaatsen van geleverde naturalia worden overbodig. Dit proces begint omstreeks 1200, strekt zich over lange tijd uit en is rond 1400 zo goed als afgelopen. Hoewel de functie dus vermindert, neemt het aantal hoven in de dertiende en veertiende eeuw nog toe. In het algemeen gesproken krijgt het hof meer de betekenis van grote boerderij, de hoeve (hofe), waar pacht wordt geïnd, opgebracht door enige boerderijen uit de omtrek. De pachtsommen nemen de plaats in van de verplichte leveranties en de hoven worden overbodig. Dat er meer geld in omloop komt, heeft ook tot gevolg dat de leenheren hun horigen dikwijls liever kwijt dan rijk zijn, want het is veel voordeliger pacht te innen. Zo'n pachtbedrag kan immers worden verhoogd als het nodig is. Met horigenlasten gaat dat niet. In de loop van de dertiende eeuw verandert de verhouding heer versus onderdaan. De ontbinding van de feodaliteitEigenlijk kan na 1300 van een directe relatie tussen de keizer en de
massa van zijn onderdanen niet worden gesproken. Het complexe geheel dat
feodaliteit heet, heeft vanaf de vroege Middeleeuwen het directe vorstelijk
gezag ondermijnd. Allerlei belangrijke koninklijke rechten (en plichten)
zijn in handen van leen- en achterleenmannen en van de kerk gekomen. De
grote massa van het volk kent alleen zijn eigen heer, de heer op wiens
grond hij leeft. Voor het volk is de keizer onbereikbaar ver. Het heeft
met hem geen relaties, evenmin als de keizer direct gezag over zijn volk
kan uitoefenen, behalve binnen het oorspronkelijke, beperkte gebied dat
hij zijn eigen domein kan noemen.
|
||||||